Paratyfus en gevolgen

“Goede basis voor het nieuwe seizoen”

Paratyfus is een bacteriële ziekte waar we in de loop der jaren al de nodige aandacht aan hebben besteed. Maar in de praktijk van alledag blijken over deze ziekte toch nog veel vragen te blijven bestaan.

Al met al reden genoeg om in deze collumn opnieuw aandacht aan deze ziekte te besteden. Het najaar is dé tijd om een goede basis te leggen voor het nieuwe seizoen. Naast selectie onder de duiven en controle van mestmonsters op wormen en coccidiose is het verstandig enkele keeluitstrijkjes te laten maken ter controle op een mogelijke geelbesmetting. Maar het najaar is bij uitstek de tijd van het jaar om vast te laten stellen of de duiven (latent = verborgen) besmet zijn met Salmonella. Juist in deze periode kan deze ziekte het beste worden aangetoond. Immers de dieren zijn wat bevattelijker voor infecties door de aanslag die de rui op de weerstand pleegt. Daarnaast worden in deze tijd van het jaar geen “ontsmettende kuurtjes” gegeven. Hierdoor krijgt de paratyfus bacterie ook meer kans om zich te herstellen. De kans dat de bacterie dan in een mestkweek kan worden aangetoond wordt groter.

De ziekteverschijnselen

Voordat we over de preventieve controles verder gaan zullen we de aandoening wat diepgaander bespreken. Paratyfus kan zich immers op vele wijzen uiten. Is een klinische uitbraak van ziekte al een bron van ergernis, de subklinische of latente (verborgen) vorm is dat nog veel meer. In die gevallen is immers weinig aan de duiven te merken. Meestal alleen dat de prestaties tegenvallen. Middelmatige prestaties zijn nog wel haalbaar maar topprestaties zijn voor deze duiven niet weggelegd. Het zijn duiven die niet lekker er bij zitten. Een beetje dof in het veerwerk en vaak iets minder levendig. Ze kunnen iets minder dons gooien en slechter vliegen. Kortom verschijnselen die bij meerdere ziekten voor kunnen komen.
De afwijkende kleur van de ontlasting die vaak wat slijmeriger is kan ook bij andere ziekten voorkomen. Kortom de duiven doen het niet goed.

Zou het zo zijn dat men met een eenmalige mestkweek de diagnose met zekerheid zou stellen, dan zou het niet zo’n vervelende ziekte zijn. Maar helaas is de bacterie niet altijd in de mest aantoonbaar. Er vindt niet altijd uitscheiding van de bacterie plaats. Dat is ook de reden dat we adviseren de mest van een vijftal dagen te bewaren. De kans om de bacterie op die manier aan te tonen wordt hierdoor groter.
Wordt de bacterie in de mestkweek aangetoond dan is het bewijs dat infectie aanwezig is geleverd. Maar in geval van een negatieve kweek, als we de bacterie niet aantonen, wil dit niet voor 100% zeggen dat er geen infectie met paratyfus aanwezig is. Naarmate er vaker mestkweken worden gedaan waarbij geen bacterie wordt aangetoond, wordt de kans dat het duivenbestand werkelijk vrij is van paratyfus allengs groter.

Bij de subklinische vorm van paratyfus zijn de duiven besmet met de bacterie en bevindt zich in de duif een infectiehaard waar de duiven behoudens de genoemde vage klachten geen of weinig last van hebben. Als de weerstand van de duiven nu omlaag gaat kan er plotseling een zichtbare infectie van paratyfus gaan optreden de zgn. klinische vorm. In die gevallen nemen de onbesmette duiven de bacterie via de bek op waarna de infectie in de darm begint. Grotere delen van de darm kunnen dan ontstoken raken. Bij gebrekkige weerstand en of hoge infectiedruk kan de bacterie zich via de lymfebanen naar de inwendige organen verplaatsen. Een en ander gaat gepaard met sepsis (bloedvergiftiging) en specifieke orgaanaantasting. Afhankelijk van de plaats waar de ontstekingshaarden zich vormen krijgen we dan de verschillende verschijningsvormen. Zo kennen we de darmvorm, de orgaanvorm (lever, longen, testikels, eileiders), de gewrichtsvorm en de hersenvorm. Maar in wezen zijn het uitingen van de ontstekingshaarden. Daarnaast zijn er nog enkele karakteristieke verschijningsvormen zoals de pussige ontstekingen van de huid, en de haardvormige ontsteking van de oogleden. Hieruit hebben we reeds vele malen reinculturen van Salmonella gekweekt.

De van de klinische infectie herstelde duiven kunnen nog jaren lang drager blijven van de bacterie en zo met regelmaat reismanden en hokgenoten besmetten.
Het wordt ook mogelijk geacht dat besmetting via de eischaal of bij bevruchting overgebracht kan worden. Als we de besmetting verder bespreken aan de hand van de verschillende verschijningsvormen, kan men stellen dat Bij de darmvorm vaak als eerste opvalt dat er een of enkele duiven vermageren waarbij de ontlasting slijmerig wordt, dun en groenig en soms zelfs bloederig. Vaak treedt dan al snel sterfte op. In het najaar zijn het veelal de oudere duiven die klachten gaan vertonen. Vaak is de hoofdklacht dan vermageren. Ook in de kweekperiode kunnen de klachten uitbreken. De besmetting kan dan op de jongen overgaan waarbij deze dan vrij snel sterven. Meestal vanaf de 5de dag. Een symptoom in deze periode is van het vele drinken en de waterige mest. Ook kunnen de bevruchtingsresultaten tegenvallen. Windeieren of 1 i.p.v. 2 eieren.

Bij de orgaanvorm zien we vaak dat de lever wordt aangetast met typische ontstekingshaarden als gevolg. De lever werkt dan slecht waardoor de duiven algemeen ziek worden. Worden de geslachtsorganen aangetast dan vallen de bevruchtingsresultaten zoals gezegd tegen. Vaak is de onvruchtbaarheid blijvend.
Ook de nieren kunnen aangetast raken waardoor de dieren slechter in conditie raken en verder vermageren. De gewrichtsvorm wordt gekenmerkt door typische laesies aan het ellebooggewricht en het hakgewricht. De klachten ontstaan door de overvulde gewrichten. De duiven kunnen slecht lopen of vliegen scheef. Een aantal malen lukt het uit de gewrichten een reincultuur van salmonella te kweken. De hersenvorm van paratyfus kan zich uiten in draainekken. Een symptoom dat ook bij een paramyxo-infectie kan voorkomen. De draaihals is een gevolg van de aantasting van het evenwichtsorgaan. Bij paramyxo blijven de jongen echter vaak nog attent. Bij paratyfus daarentegen zullen ze vrij snel sterven.

De scheiding die gemaakt wordt tussen de verschillende verschijningsvormen is in wezen onterecht. Het zijn allemaal uitingen van dezelfde ziekte. En het is beslist niet zo dat alle aangetaste duiven op een hok dezelfde verschijningsvorm hebben. Het is veelal een mengvorm van allerlei symptomen. Soms is slechts een enkel symptoom aanwezig en dat kan de diagnosestelling bemoeilijken. Vaak wordt de diagnose pas bij sectie gesteld. Bij twijfel is het daarom zo belangrijk de duiven te laten onderzoeken. In het algemeen kan men stellen dat jonge duiven ernstigere symptomen vertonen dan de wat oudere duiven. Ze zullen ook eerder aan de ziekte bezwijken. De oudere duiven worden vaak de chronische dragers van de bacterie als ze de vaak chronische infectie overleven.De definitieve diagnose wordt gesteld middels bacteriologisch onderzoek. Zeker in geval van twijfel omtrent de besmetting met salmonella is het belangrijk een bacteriekweek te laten uitvoeren op een mestmonster van verzamelde mest van ca. 5 dagen. Alleen op deze manier kan men erachter komen of er uitscheiders onder de duiven zijn.

De behandeling

De aangetaste duiven moeten verwijderd worden van het hok. Individuele behandeling van duiven met marbocap gedurende langere tijd kan leiden tot herstel van de duiven. Echter alleen als slechts de darmen zijn aangetast zijn deze duiven nog geschikt om te vliegen. In alle overige gevallen zijn ze slechts geschikt voor de kweek, tenminste als er geen blijvende beschadiging van de geslachtsorganen heeft plaatsgevonden. Verder moet de hygiëne worden opgevoerd op de hokken. Reiniging, ontsmetting en branden helpen daarbij zeer zeker maar is niet zaligmakend. Voeren in de voerbakken is in deze gevallen een vanzelfsprekendheid. Overbevolking en stress moeten zoveel mogelijk worden voorkomen.Daarnaast is het verstrekken van goedwerkende medicijnen aan alle duiven gedurende langere tijd noodzakelijk. Ook het verhogen van de algemene weerstand draagt bij aan het bestrijden van de infectie. Het verstrekken van weerstandsdrank is daarbij een mogelijkheid.

De medicamenten die voor de bestrijding van de paratyfus als eerste in aanmerking komen zijn trim/sulfa en enrofloxacine (Baytril). Waarbij in ons centrum een lichte voorkeur bestaat voor trim/sulfa. De trim/sulfa dient men voer de voederbeurt klaar te maken in niet te koud drinkwater. Dit vanwege het feit dat het medicijn nogal slecht wil oplossen. Minimaal dient 14 dagen medicijn verstrekt te worden. Bij klinische uitbraken is een enting na 14 dagen aan te bevelen waarna nog een goede week wordt nagekuurd. Herhaling van de enting bij klinische infecties is aan te bevelen om de opbouw van de afweer zoveel mogelijk te ondersteunen. De jonge duiven op een leeftijd van 6 weken. De oude duiven in het stille seizoen maar minimaal drie weken voor het koppelen. Op deze manier wordt de hoogst mogelijke bescherming doorgegeven aan de jongen.

De behandeling van de paratyfus zoals hierboven besproken is echter geen garantie dat de infectie nooit meer de kop kan opsteken. Paratyfus is een hardnekkige ziekte.
In geval van een klinische uitbraak doet men er verstandig aan om de mengmest van de duiven met een grote regelmaat via kweken te laten controleren op uitscheiding van de bacterie.

Peter Boskamp

One Response to Paratyfus en gevolgen

  1. julien verhoeven zegt:

    aan Peter Boskamp ,wat bedoel je met weerstandsdrank .
    kun je daar ook namen op plakken ?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Powered by WordPress | Designed by: SEO Consultant | Thanks to los angeles seo, seo jobs and denver colorado